The (cost)effectiveness of neoadjuvant FOLFIRINOX versus upfront surgery for (borderline) resectable pancreatic cancer.
De PREOPANC-2 studie onderzocht twee behandelstrategieën voor patiënten met primair resectabel en borderline resectabele alvleesklierkanker: FOLFIRINOX-chemotherapie of een combinatie van gemcitabine-chemotherapie en bestraling gevolgd door een operatie. In totaal deden 375 patiënten uit 19 Nederlandse ziekenhuizen mee. De resultaten lieten zien dat beide behandelingen vergelijkbare overlevingskansen bieden, met een gemiddelde overleving van ongeveer 22 maanden. Het aantal operaties was gelijk tussen de groepen. Er was geen verschil in het aantal patiënten met ten minste één ernstige bijwerking, maar patiënten in de FOLFIRINOX-groep kregen vaker meerdere ernstige bijwerkingen. Deze studie helpt artsen bij het kiezen van de beste behandeling voor hun patiënten, waarbij effectiviteit en bijwerkingen zorgvuldig worden afgewogen. De zoektocht naar verdere verbeteringen in de behandeling van alvleesklierkanker blijft doorgaan.
Richtlijn
Bekijk de bijbehorende richtlijn in de FMS Richtlijnendatabase
Producten
Magazine: Lancet Oncology
Link: https://www.thelancet.com/journals/lanonc/article/PIIS1470-2045(25)00363-8/abstract
Verslagen
Eindverslag
Achtergrond: De PREOPANC-2-studie had tot doel te onderzoeken of neoadjuvante behandeling met FOLFIRINOX de algehele overleving verbetert in vergelijking met neoadjuvante gemcitabine-gebaseerde chemoradiotherapie gevolgd door adjuvante gemcitabine bij patiënten met resectabel of borderline resectabel pancreasductaal adenocarcinoom (PDAC).
Methoden: In deze door onderzoekers geïnitieerde, open-label, landelijke fase 3-gerandomiseerde studie werden patiënten van 18 jaar of ouder met resectabel of borderline resectabel PDAC en een WHO-performancestatus van 0 of 1 geïncludeerd in 19 Nederlandse centra. Patiënten in de FOLFIRINOX-groep (FFX) ontvingen FOLFIRINOX (85 mg/m² intraveneus oxaliplatine, 180 mg/m² intraveneus irinotecan, 400 mg/m² intraveneus leucovorine, gevolgd door een bolus van 400 mg/m² intraveneus fluorouracil en vervolgens een continue infusie van 2400 mg/m² intraveneus over 46 uur, iedere 14 dagen gedurende acht cycli), gevolgd door chirurgie zonder adjuvante behandeling.
Patiënten in de chemoradiotherapie-groep (CRT) ontvingen drie cycli neoadjuvante gemcitabine (1000 mg/m² intraveneus op dag 1, 8 en 15 van elke 28-daagse cyclus, en op dag 1 en 8 alleen tijdens cycli één en drie), gecombineerd met gehypofractioneerde radiotherapie (36 Gy in 15 fracties) uitsluitend tijdens de tweede cyclus, gevolgd door chirurgie en vier cycli adjuvante gemcitabine.
Randomisatie (1:1) vond plaats via een minimisatietechniek, gestratificeerd naar resectabiliteitsstatus (resectabel versus borderline resectabel) en centrum. De primaire uitkomstmaat was algehele overleving in de gemodificeerde intention-to-treat-populatie, na uitsluiting van niet-in aanmerking komende patiënten. Gegevens over ras en etniciteit werden niet verzameld. De studie is geregistreerd bij EudraCT (2017-002036-17) en afgerond.
Resultaten: Tussen 5 juni 2018 en 28 januari 2021 werden 375 patiënten gerandomiseerd naar de FFX-groep (n=188) of de CRT-groep (n=187). Zes patiënten (drie per groep) werden geëxcludeerd wegens ineligibiliteit (n=4) of onmiddellijke intrekking van geïnformeerde toestemming na randomisatie (n=2). Van de 369 geëvalueerde patiënten waren 208 (56%) man en 161 (44%) vrouw. Na een mediane follow-up van 42,3 maanden (IQR 35,7–48,7) bedroeg de mediane algehele overleving 21,9 maanden (95%-BI 17,7–27,0) in de FFX-groep versus 21,3 maanden (95%-BI 16,8–25,5) in de CRT-groep (HR 0,88 [95%-BI 0,69–1,13]; p=0,32).
De meest voorkomende bijwerkingen van graad 3–4 waren neutropenie (43 [25%] van 175 in de FFX-groep versus 38 [22%] van 176 in de CRT-groep), diarree (41 [23%] versus 2 [1%]) en leukopenie (14 [8%] versus 26 [15%]). Ernstige bijwerkingen kwamen voor bij 85 (49%) patiënten in de FFX-groep en bij 75 (43%) patiënten in de CRT-groep (p=0,26). Bijwerkingen van graad 3 of hoger traden op bij 117 (67%) patiënten in de FFX-groep versus 106 (60%) in de CRT-groep (p=0,20). Behandelingsgerelateerde sterfte trad op bij twee (1%) patiënten in de FFX-groep (multi-orgaanfalen en intestinale mucositis) en één (1%) patiënt in de CRT-groep (gastro-intestinale bloeding).
Conclusie: Deze gerandomiseerde studie liet geen verschil zien in algehele overleving tussen neoadjuvante FOLFIRINOX en neoadjuvante gemcitabine-gebaseerde chemoradiotherapie bij patiënten met resectabel of borderline resectabel PDAC. Beide neoadjuvante behandelregimes kunnen als valide behandelopties voor deze patiëntengroep worden beschouwd.