Samen onvrijwillige zorg afbouwen: De implementatie van een regionaal expertise team om onvrijwillige zorg af te bouwen
Deelname aan de Implementatie science practitioner fellowship is bedoeld om bij te kunnen dragen aan het kunnen bieden van een betere ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking wanneer deze gebaseerd is op wetenschappelijk onderbouwde kennis. Onderzoek doen is interessant, maar het is vooral belangrijk om te kijken wat er met de resultaten van het onderzoek wordt gedaan. Het is essentieel dat er meer aandacht is voor de vraag hoe resultaten goed kunnen worden geïmplementeerd.
Doel
Het doel is dat zorgorganisaties in de regio Amsterdam, die ondersteuning bieden aan mensen met een verstandelijke beperking, beter in staat zijn een brug te slaan tussen wetenschap en praktijk.
Verwachte resultaten
Met deelname aan het fellowship als Implementatie science practitioner wordt een rol gespeeld bij de implementatie van een Multi Disciplinair Expertise Team dat binnen organisaties een beweging op gang brengt waarin mensen met een verstandelijke beperking geen of bijna geen vormen van onvrijwillige zorg ontvangen.
Verslagen
Eindverslag
Sinds 2020 geldt de Wet zorg en dwang (Wzd) in de gehandicaptenzorg en de psychogeriatrie. De wet schrijft voor dat zorgverleners de bewegings- en keuzevrijheid van cliënten alleen mogen beperken bij ernstig nadeel. De Wzd volgt een trapsgewijs model om dwang zoveel mogelijk te voorkomen. In de praktijk ervaren uitvoerders de Wzd als complex. De implementatie bij de aan het project deelnemende zorgorganisaties is daardoor lastig. Zo is er onder meer onvoldoende bewustwording bij medewerkers over onvrijwillige zorg, wordt het Wzd-stappenplan niet altijd juist uitgevoerd en is de afbouw van onvrijwillige zorg complex. Zorgteams gaven daarnaast aan behoefte te hebben aan praktijkgerichte training.
Het MDET
Zorgorganisaties Amsta, Cordaan en Ons Tweede Thuis hebben een pilot opgezet voor een regionaal Multidisciplinair Expertise Team (MDET). Deze evidencebased methodiek houdt in dat experts uit het MDET zorgteams ondersteunen bij bewustwording, registratie en afbouw van onvrijwillige zorg.
Doelstellingen
- zorgteams bewust maken van de oorzaken, toepassing en afbouwmogelijkheden van onvrijwillige zorg op cliënt- en locatieniveau;
- registraties van onvrijwillige zorg op orde brengen;
- teams en organisaties ondersteunen bij de implementatie van de Wzd.
Projectopzet
Aan de hand van het fasemodel van Grol en Wensing is gewerkt aan de implementatie van het MDET. In de voorbereidingsfase is eerst een procesomschrijving opgesteld, met veel aandacht voor de samenwerking tussen de betrokken organisaties. Daarnaast zijn de feitelijke Wzd-registraties van onvrijwillige zorg op verschillende momenten in kaart gebracht. Samen met de teams zijn zowel geregistreerde als niet-geregistreerde maatregelen geïnventariseerd om een volledig beeld te krijgen.
Vervolgens is in de probleemanalyse, met behulp van het CFIR-model, systematisch gekeken naar de belangrijkste kansen en belemmeringen voor de implementatie. Daarna zijn met behulp van de ERIC-matchingtool per belemmering passende strategieën gekozen. Deze strategieën zijn vertaald naar een concreet actieplan, waarmee de projectgroep en het MDET aan de slag zijn gegaan. Tot slot zijn voor de evaluatie de voortgang en het effect van de implementatie gemonitord en beoordeeld. Hiervoor zijn de uitkomstmaten van Proctor (2011) gebruikt: aanvaardbaarheid en geschiktheid, effect (interventie en strategieën) en modelgetrouwheid.
Het MDET heeft vooral gezorgd voor meer bewustwording rondom onvrijwillige zorg. Zorgteams geven aan zich bewuster te zijn van wat onvrijwillige zorg is. Dit blijkt onder meer uit het toegenomen aantal registraties. Teams hebben beter inzicht gekregen in de Wzd en hun rol daarin en zijn tevreden over de methodiek van het MDET. De concrete afbouw van onvrijwillige zorg is echter nog beperkt. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat registratie van onvrijwillige zorg een eerste stap is richting afbouw. Het is daarom aannemelijk dat met het MDET de eerste stappen zijn gezet richting structurele afbouw. Na afronding van het MDET-traject kunnen teams verder werken aan het verminderen van onvrijwillige zorg.
Het betrekken van cliënten, familie en ervaringsdeskundigen bleek een uitdaging. Met name het betrekken van ervaringsdeskundigen is niet gelukt, onder meer door twijfel over de meerwaarde en een gebrek aan draagvlak. Cliënten en familie zijn vooral individueel betrokken en niet op een bredere, structurele manier geïntegreerd in het bewustwordingsproces.
Conclusie
Op basis van deze ervaringen wordt geadviseerd om niet verder te gaan met het MDET, vanwege de hoge tijdsinvestering die dit vraagt van de MDET-experts. In plaats daarvan wordt voorgesteld om een eigen Wzd-expertiseteam op te richten. Dit team kan de effectieve elementen van het MDET en de positieve ervaringen uit de pilot integraal inzetten, gericht op bewustwording, uitvoering en afbouw van onvrijwillige zorg binnen teams.