Mobiele menu

Cost-effectiveness of follow-up of patients with superficial bladder cancer

De meest voorkomende vorm van blaaskanker is ‘oppervlakkige’ blaaskanker, waarbij de tumor nog niet is doorgedrongen in de spierlaag van de blaaswand. Deze vorm is goed te behandelen maar bij 75% van de patiënten komt de tumor na verloop van tijd weer terug. Om deze reden wordt de blaas elke 3 maanden met een kijker via de plasbuis geïnspecteerd op nieuwe tumoren. Dit is een relatief kostbaar en voor de patiënt vervelend onderzoek. In Rotterdam is onderzocht of een DNA-test (die tumor-DNA opspoort in urine) het kijkonderzoek kan vervangen. Dat blijkt niet het geval te zijn. De urinetest slaat te vaak onterecht alarm. Anderzijds mist de test tumoren die met het kijkonderzoek wel worden gezien. De urinetest lijkt wel bruikbaar om de groei van nieuwe tumoren in de komende maanden te voorspellen. Aan de hand hiervan zou het schema voor kijkonderzoek kunnen worden bijgesteld (positieve urinetest, vaker kijkonderzoek doen).

Producten

Titel: Urine markers for bladder cancer surveillance: a systematic review.
Auteur: Van Rhijn BW, van der Poel HG, van der Kwast TH.
Magazine: European Urology
Titel: A new system for substaging pT1 papillary bladder cancer: a prognostic evaluation.
Auteur: Van der Aa MN, van Leenders GJ, Steyerberg EW, van Rhijn BW, Jöbsis AC, Zwarthoff EC, van der Kwast TH.
Magazine: Human Pathology
Titel: A simple and fast method for the simultaneous detection of nine fibroblast growth factor receptor 3 mutations in bladder cancer and voided urine.
Auteur: Van Oers JM, Lurkin I, van Exsel AJ, Nijsen Y, van Rhijn BW, van der Aa MN, Zwarthoff EC.
Magazine: Clinical Cancer Research
Titel: Patients' perceived burden of cystoscopic and urinary surveillance of bladder cancer: a randomized comparison.
Auteur: Van der Aa MN, Steyerberg EW, Sen EF, Zwarthoff EC, Kirkels WJ, van der Kwast TH, Essink-Bot ML
Magazine: British Journal of Urology International

Verslagen


Eindverslag

Blaaskanker kan optreden als een oppervlakkige (niet spier invasieve) dan wel een levensbedreigende spierlaag infiltrerende vorm. De oppervlakkige vorm van blaaskanker komt het meest frequent voor en kan goed behandeld worden door chirurgische verwijdering via transurethrale resectie. Desondanks komt in 75% van de gevallen de tumor terug (recidief), en bovendien kan ze dan overgaan in de levensbedreigende spier invasieve vorm van blaaskanker (progressie). Om deze reden worden patienten met blaaskanker elke 3 maanden vervolgd middels een blaaskijk onderzoek (cystoscopie) om te zien of er een recidief is opgetreden. Omdat dit onderzoek relatief kostbaar is en door haar invasieve karakter ook belastend voor de patient onderzochten we of surveillance waarbij cystoscopie gedeeltelijk vervangen werd door een genetische test op spontane urine even goed in staat zou zijn om recidieven op te sporen als de huidige surveillance uitsluitend door middel van cystoscopie. Voordeel van deze urinetest ten opzichte van de cystoscopie zou ook zijn, dat deze een tumor van de bovenste urinewegen (nierbekken, urineleiders) kan opsporen. Daarnaast keken we in hoeverre klinisch-pathologische tumor kenmerken, inclusief de aanwezigheid van een mutatie in de fibroblast groeifactor receptor 3 in de oorspronkelijke tumor, een recidief tumor dan wel progressie naar een potentieel levensbedreigende tumor kon voorspellen. Verder vergeleken wij de invloed van het ondergaan van cystoscopie en de urinetest op kwaliteit van leven. In totaal namen 448 patienten met een oppervlakkige blaaskanker deel aan het onderzoek, waarvan 222 bij loting in de groep terechtkwam, bij wie een deel van de cystoscopieen werd vervangen door de genetische test, terwijl 226 patienten op de gebruikelijke wijze met cystoscopie werden vervolgd. De patienten werden gemiddeld gedurende 34 maanden vervolgd. In de groep patienten die ingeloot waren voor de urinetest werden bij iets meer (113) patienten een of meer recidieven gevonden vergeleken met de groep met de standaard follow-up (101 patienten). Er werd echter ook iets vaker een klinische progressie vastgesteld in de urinetest groep (8.1%) dan in de cystoscopie groep (7.5%), terwijl in de urinetest groep meer (5) tumoren van de bovenste urinewegen werden gedetecteerd dan in de cystoscopie groep (2). Deze resultaten zouden dus aantonen, dat de surveillance met de urinetest vrijwel gelijkwaardig is aan die met cystoscopie. Nadere analyse liet echter zien, dat de urinetest vaak een positief resultaat liet zien, terwijl gelijktijdige cystoscopie geen tumor aantoonde (positieve voorspellende waarde 20%). Verder werden door de urinetest een tamelijk groot aantal met cystoscopie zichtbare tumoren gemist (sensitiviteit 58%). De urinetest was wel vaak positief meerdere maanden voorafgaand aan een recidief, en het risico op het optreden van een recidief bij patienten met een of meerdere positieve urinetest was 82% na een follow-up van 24 maanden, in tegenstelling tot een risico van 21% als de urinetest negatief bleef. Verder werd duidelijk, dat tumorgraad samen met de uitkomst van de mutatie analyse van het gen coderend voor de fibroblast groeifactor receptor 3 het optreden van progressie goed kon voorspellen. Economisch onderzoek liet zien, dat de totale kosten van surveillance per patient gedurende 2 jaar middels de urinetest €671 euro duurder was dan de standaard cystoscopie. Met name de feitelijke kosten van cystoscopie waren lager dan aanvankelijk verwacht, namelijk €168.-. Uit het kwaliteit van leven onderzoek bleek, dat cystoscopie gepaard gaat met een grotere belasting, zowel tijdens als na de ingreep, vergeleken met de urinetest. Bij de laatste groep werd vooral het wachten op het resultaat als belastend ervaren. Opvallend was, dat er geen verschil tussen beide groepen bestond in koorts, urineweg infecties of problemen bij het plassen. De cystoscopie werd vooral door jongere patienten als belastend werd ervaren, terwijl er juist geen

Kenmerken

Projectnummer:
94502046
Looptijd: 100%
Looptijd: 100 %
2002
2006
Onderdeel van programma:
Gerelateerde subsidieronde:
Projectleider en penvoerder:
Prof. dr. TH.H. van der Kwast