De rol van sekse en gender in interventies voor gezinnen met meervoudige en complexe problemen
Het onderzoek van het consortium gezinnen met zware opvoedproblemen (ZOP) en meervoudige en complexe problemen (GMCP) heeft kennis geleverd over de inhoud en werkzame elementen van interventies voor deze gezinnen. Tot nu toe zijn sekseverschillen in problemen, inhoud en effectiviteit van deze interventies onderbelicht gebleven. Nog sterker zijn verschillen in genderidentiteit of seksuele oriëntatie van jongeren onderbelicht in onderzoek en praktijk, terwijl LHBTIQA+ jongeren oververtegenwoordigd zijn in de jeugdhulp. Dit onderzoek heeft daarom tot doel om zicht te krijgen op 1) verschillen tussen jongens en meisjes in aangeboden zorg en effectiviteit daarvan 2) de mate waarin professionals in hun werk sensitief zijn ten aanzien van specifieke behoeften, problemen en risico’s van jongens en meisjes en van LHBTIQA+ jongeren. De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in webinars, kennisclips en een handreiking voor professionals.
Producten
Link: https://youtu.be/92WGR3AYoN4?si=2wx5q3f_DkJBL7D-
Auteur: Rijksuniversiteit Groningen, Universitair Medisch Centrum Groningen
Link: https://youtu.be/VydlEAhZBSw?si=hJwaDAkKvMuEudSn
Auteur: Loraine Visscher en Arjen van Assen
Link: https://pure.rug.nl/ws/portalfiles/portal/1235623799/Eindrapport_sekseverschillen_in_problematiek_inhoud_en_uitkomsten_van_IPT_DEFdocx.pdf
Auteur: Arjen van Assen, Loraine Visscher, Emma Bos
Link: https://pure.rug.nl/ws/portalfiles/portal/1235623905/Eindrapport_Passende_zorg_voor_seksuele_en_genderminderheidsjongeren_DEF.pdf
Link: https://research.rug.nl/files/1235624630/Factsheet_sekseverschillen_problematiek_inhoud_en_uitkomsten_DEF.pdf
Link: https://pure.rug.nl/ws/portalfiles/portal/1235624507/RUG_Versie_DEF.pdf
Verslagen
Eindverslag
Achtergrond
Sekseverschillen in problemen, inhoud en effectiviteit van interventies voor gezinnen met zware opvoedproblemen (ZOP) en gezinnen met meervoudige en complexe problemen (GMCP) zijn onderbelicht. Dat geldt nog sterker voor verschillen in seksuele oriëntatie of genderidentiteit, terwijl LHBTIQA+ jongeren oververtegenwoordigd zijn in de jeugdhulp.
Doelstelling(en)
De doelen van dit project waren zicht krijgen op:
- verschillen tussen jongens en meisjes in problematiek, inhoud en uitkomsten van hulp
- de mate waarin professionals sensitief zijn ten aanzien van specifieke behoeften, problemen en risico’s van jongens en meisjes en van LHBTIQA+ jongeren en
- achterhalen hoe professionals omgaan met eigenschappen, gedragingen en rolpatronen die de maatschappij toedicht aan een bepaald geslacht.
Methode
Doelstelling 1 is bereikt door analyse van een bestaande dataset van 499 gezinnen die intensief pedagogische thuishulp (IPT) ontvingen. Er is gekeken naar internaliserende en externaliserende problematiek, opvoedbelasting en sociale contacten bij aanvang. Uitkomsten zijn gemeten aan de hand van veranderingen in deze uitkomstmaten en doelrealisatie. De inhoud van de hulp is in kaart gebracht met de Taxonomie voor interventies bij Gezinnen met Complexe en Meervoudige problematiek.
Doelstelling 2 en 3 zijn bereikt door een surveyonderzoek met verdiepende interviews. 45 hulpverleners die werken met IPT vulden een vragenlijst in over hun kennis, attitudes en bekwaamheid met betrekking tot seksuele- en genderminderheden (SGM) en genderrollen. Daarna werden 12 hulpverleners geïnterviewd over hun ervaringen met SGM-jongeren, hoe ze aansluiten op hun behoeften, en de ontvangen onderwijs- en ondersteuningsmogelijkheden voor het bieden van sensitieve zorg.
Resultaten
Er waren kleine verschillen tussen jongens en meisjes wat betreft problematiek bij aanvang. Meisjes hadden vaker schoolproblemen, lichamelijke klachten en een traag cognitief tempo. Jongens vertoonden vaker sociale problemen en agressief gedrag. De zorginhoud was grotendeels vergelijkbaar, maar specifieke elementen werden vaker aangeboden aan jongens of meisjes. Meisjes kregen meer aandacht voor huishouding, het stellen van regels, het gebruik van vragenlijsten, hulpverleningsplannen en evaluatie van de samenwerking. Gezinnen met meisjes werden ook vaker doorverwezen en er werd meer gewerkt aan motivatie. Bij jongens ontvingen hulpverleners vaker intervisie en consultatie en lag de nadruk in de hulpverleningsfase vaker op samenwerking tussen ouders. De uitkomsten van de interventies verschilden niet tussen jongens en meisjes. In deelstudie 2 bleek dat de kennis van hulpverleners over het werken met SGM-jongeren sterk varieert. Ze hadden over het algemeen positieve attitudes, maar voelden zich vaak niet voldoende bekwaam en gaven aan behoefte te hebben aan meer kennis, vaardigheden en ondersteuning. Gebrek aan kennis leidde soms tot onzekerheid en angst voor fouten. Hulpverleners met meer flexibele opvattingen over genderrollen hadden gemiddeld genomen positievere attitudes over SGM. Voor het bieden van sensitieve zorg gaven zij aan dat een ondersteunend beleid, positieve collega’s en mogelijkheden om kennis over SGM-jongeren te vergaren noodzakelijk zijn.
Discussie
Hoewel er kleine verschillen waren tussen jongens en meisjes in de problematiek en zorginhoud bij aanvang van IPT, waren de uitkomsten gelijk. Vervolgonderzoek kan zich richten op de herkomst van deze verschillen en of ze echt verklaard kunnen worden door geslacht. Concluderend zijn kennis, een positieve houding en goede randvoorwaarden belangrijk voor het bieden van sensitieve hulp aan SGM binnen GMCP. De kennis uit dit onderzoek kan helpen IPT-interventies beter af te stemmen op de behoeften van gezinnen en bijdragen aan effectieve zorg.