Effectiviteit van vroegsignalering binnen het programma Samen Starten.
Vraagstuk
De jeugdgezondheidszorg brengt met het DMO-protocol – onderdeel van het programma Samen Starten – de ontwikkeling van kind en omgeving in kaart. Zo zouden risico’s voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van kinderen tijdig kunnen worden onderkend. Is het DMO-protocol inderdaad een effectief vroegsignaleringsinstrument?
Onderzoek
In het onderzoek is de ontwikkeling van meer dan 3.600 kinderen van 0-18 maanden gevolgd in een regio met en zonder DMO-protocol. Professionals en ouders vulden vragenlijsten in.
Uitkomst
Ouders in de DMO-regio rapporteerden dat de zorg significant beter aansloot bij hun wensen. Over beschermende factoren waren professionals en ouders het veelal eens. Bij situaties waarin de professional een ‘risico’ signaleerde, scoorden ouders echter laag op de bijbehorende vragenlijst. Professionals waarderen het voorgeschreven oplossingsgericht werken en empoweren van ouders.
Producten
Auteur: Margriet Hielkema
Auteur: Hielkema M, de Winter AF, de Meer G, Reijneveld SA
Magazine: BMC Public Health
Auteur: Hielkema, Margriet
Verslagen
Eindverslag
Achtergrond. Binnen het programma Samen Starten wordt het DMO-protocol gebruikt, een volgsysteem gericht op signalering van opvoedingssituaties die risico’s opleveren voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Het DMO-protocol wordt als veelbelovend beschouwd maar de effectiviteit van dit protocol voor signalering van (dreigende) sociaal-emotionele problematiek is nog niet vastgesteld.
Doel. Vaststellen van de effectiviteit van het DMO-protocol voor het signaleren van (dreigende) sociaal-emotionele problematiek binnen de setting van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) voor 0-4 jarigen.
Studie design en methoden. Het onderzoek betrof een longitudinale, quasi-experimentele studie. Binnen het werkgebied van thuiszorgorganisatie Icare werd de nieuwe werkwijze gefaseerd geïmplementeerd. In een regio werd het DMO-protocol geïmplementeerd, in de andere regio niet; in totaal deden 5658 ouders mee.
In beide regio’s beoordeelden de JGZ medewerker tijdens alle reguliere bezoeken aan het consultatiebureau, tot de leeftijd van 18 maanden, of er sprake was van sociaal-emotionele problematiek of van een risicosituatie hiervoor. Daarnaast ontvingen alle ouders rond de kindleeftijd van 8 weken een vragenlijst over wensen voor en ervaringen met de zorg van het consultatiebureau. Op de kindleeftijd van 18 maanden ontvingen alle deelnemende ouders opnieuw deze vragenlijst, in combinatie met de CBCL 1.5-5 (percentage teruggestuurde vragenlijsten 80%). Tot slot werden er twee focusgroepen georganiseerd (een met 5 artsen en een met zes verpleegkundigen) om de ideeën van professionals met betrekking tot het DMO-protocol te inventariseren.
Resultaten: In de DMO-regio werden meer en eerder (risico’s voor) sociaal-emotionele problematiek gesignaleerd tussen 2 en 18 maanden (kleine significante effecten). Verder vonden we een goede overeenstemming tussen professionals en ouders voor beschermende factoren op de verschillende domeinen van het DMO-protocol, maar niet voor risicofactoren. Wanneer het domein ‘Partner’ als risico werd gescoord, droeg dit van alle domeinen het meest bij aan de conclusie van professionals om een situatie als risico te benoemen. . Daarnaast rapporteerden ouders in de DMO-implementatieregio dat de zorg significant beter aansloot bij hun wensen (kleine tot medium effectgroottes, zowel rond de leeftijd van 2 als 18 maanden) vergeleken met de DMO-controlregio. We vonden een klein verschil tussen beide regio’s rond de leeftijd van 18 maanden in de vrijheid die ouders voelen om hun zorgen te bespreken, maar niet op de leeftijd van 2 maanden. We vonden ook geen effect op het psychosociale welbevinden van kinderen van 18 maanden. Tot slot gaven professionals aan enthousiast te zijn over het oplossingsgerichte en empowerment gerichte werken met het DMO-protocol. Wel gaven ze nog enkele praktische barrières aan, deze hadden voornamelijk te maken met het format van vragen binnen het elektronisch kinddossier.
Achtergrond. Binnen het programma Samen Starten wordt het DMO-protocol gebruikt, een volgsysteem gericht op signalering van opvoedingssituaties die risico’s opleveren voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind. Het DMO-protocol wordt als veelbelovend beschouwd maar de effectiviteit van dit protocol voor signalering van (dreigende) sociaal-emotionele problematiek is nog niet vastgesteld.
Doel. Vaststellen van de effectiviteit van het DMO-protocol voor het signaleren van (dreigende) sociaal-emotionele problematiek binnen de setting van de jeugdgezondheidszorg (JGZ) voor 0-4 jarigen.
Studie design. Het onderzoek betreft een longitudinale, observationele studie waarin validatie plaatsvindt van het DMO-protocol. Volgens het DMO-protocol wordt vanaf het eerste contactmoment met de JGZ (postnataal huisbezoek bij 2-3 weken) aandacht besteed aan de brede opvoedingssituatie vanuit het perspectief van de ouder(s). Relevante informatie wordt
per consult in samenspraak met de ouder(s) vastgelegd op een gestandaardiseerd formulier. Tijdens het consult van acht weken bespreekt de verpleegkundige alle domeinen van het DMO-protocol, i.e. functioneren/welbevinden van het kind, functioneren/welbevinden van de primaire verzorger/opvoeder, rol van de partner, ervaren sociale steun, en obstakels. Daarna
spitst de inventarisatie zich toe per gezin, aansluitend bij eerdere informatie en actueel ontwikkelingsmoment.
Binnen het werkgebied van thuiszorgorganisatie Icare wordt de nieuwe werkwijze gefaseerd geïmplementeerd. De implementatie is zodanig gefaseerd dat twee regio’s zijn ontstaan die vergelijkbaar zijn wat betreft sociaaldemografische kenmerken. In de ene regio is het DMO-protocol geïmplementeerd, verder te noemen als ‘DMO-implementatieregio’. In de
andere regio blijven de JGZ-professionals werken volgens de tot dan toe gangbare methodiek, verder te noemen als de ‘DMO-controleregio’.
In beide regio’s beoordeelt de JGZ medewerker tijdens alle reguliere bezoeken aan het consultatiebureau, tot de leeftijd van 15 maanden, of er sprake is van sociaal-emotionele problematiek of van een risicosituatie hiervoor. Gezinnen die als ‘problematisch’ worden geïdentificeerd, worden uitgenodigd voor aanvullend onderzoek. Bij ieder als ‘problematisch’ gesignaleerd gezin worden twee ‘niet-problematische’ gezinnen uitgenodigd voor aanvullend onderzoek. Hierbij worden ‘problematische’ en ‘niet-problematische’ gezinnen gematcht voor geslacht en leeftijd van het kind en dienen ze uit hetzelfde implementatiegebied te komen, i.e. de ‘DMO-implementatieregio’ dan wel de ‘DMO-controleregio’.
Daarnaast ontvangen alle ouders rond de kindleeftijd van 8 weken een vragenlijst waarmee wensen en ervaringen met betrekking tot de zorg van het consultatiebureau, de mate van empowerment en de mate van vrijheid die ouders voelen om eventuele zorgen te bespreken, in kaart worden gebracht. Op de kindleeftijd van 18 maanden ontvangen alle deelnemende ouders opnieuw deze vragenlijst, in combinatie met de CBCL.
Studie populatie. Alle ouders in de ‘DMO-implementatie-regio’ en ‘DMO-controle regio’ worden tijdens het postnatale huisbezoek (als het kind 2 a 3 weken oud is) geïnformeerd over het onderzoek. Tijdens het 4- of 8-wekenconsult worden ouders door de professional gevraagd hun medewerking te verlenen aan het onderzoek.