Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

Inclusief programmeeronderwijs: De toegankelijkheid van bestaand materiaal voor blinde en slechtziende leerlingen

De wereld om ons heen verandert razendsnel door technologische ontwikkelingen. Het onderwijs sluit hierbij aan en er is een breed gedragen consensus dat kinderen digitaal geletterd moeten worden. Echter is er nog nauwelijks gekeken hoe toegankelijk en bruikbaar materiaal voor blinde en slechtziende leerlingen is, belangrijk omdat bestaande materialen en curricula zeer visueel georiënteerd zijn.

Dit project richt zich daarom op het onderzoeken hoe we programmeermaterialen zo toegankelijk mogelijk kunnen maken voor kinderen met een visuele beperking. We richten ons er specifiek op om inclusief materiaal te ontwikkelen, zowel te geruiken voor visueel beperkte leerlingen als ziende leerlingen in het regulier onderwijs deel. De inzichten verkregen in bovenstaande studies worden vertaald naar richtlijnen en aanbevelingen, waarbij een lijst wordt opgesteld met geschikte materialen en mogelijke aanpassingen van deze materialen.

Uitgebreide samenvatting

De wereld om ons heen verandert razendsnel door technologische ontwikkelingen. Het onderwijs sluit hierbij aan en er is een breed gedragen consensus dat kinderen digitaal geletterd moeten worden. De opkomst van ‘Computational Thinking’ is nu zo concreet dat er leerlijnen worden geïmplementeerd die leerlingen leren programmeren.

Hoewel dit een enorme (internationale) beweging is, is er nog nauwelijks gekeken hoe toegankelijk en bruikbaar materiaal voor blinde en slechtziende leerlingen is. Het is essentieel om hier tijdig op in te springen, juist omdat de bestaande materialen en curricula zeer visueel georiënteerd zijn. Toegang tot dit curriculum bereidt hen voor op een toekomst waarin communicatie met technologie cruciaal is.

In dit project wordt inclusiviteit van bestaande programmeerlessen geanalyseerd en richtlijnen opgesteld voor toekomstige materialen. Eerst wordt bestaand materiaal geëvalueerd door leerkrachten uit het speciaal onderwijs (Koninklijke Visio en Bartiméus) die eerder gewerkt hebben met verschillende programmeermaterialen. Dit wordt in kaart gebracht door middel van een focusgroep interview (WP1a).

Daarnaast wordt bestaand programmeermateriaal door visueel beperkte basisschoolleerlingen getest op toegankelijkheid, gebruikersvriendelijkheid en programmeerkenmerken. Dit wordt gedaan door middel van de constructieve interactie methode, waarbij duo’s, terwijl ze interactie hebben met het materiaal, elkaar uitleg geven over wat te doen om een specifieke taak te volbrengen. Met deze methode krijgt de onderzoeker toegang tot het cognitieve proces van de gebruiker(s) (WP1b).

Deze twee studies leiden tot de zogeheten SVIC-indicator (SVIC: Suitability for Visually Impaired Children), een score die aangeeft hoe toegankelijk en gebruikersvriendelijk het geteste materiaal is voor visueel beperkte kinderen (WP1c). Op basis van de SVIC-indicator wordt een aantal materialen aangepast om toegankelijkheid en/of gebruikersvriendelijkheid te vergroten (WP2a). Door middel van de peer tutoring approach wordt daadwerkelijk onderzocht of de aangepaste versie van het programmeermateriaal tot een verbetering heeft geleid ten opzichte van de originele versie of een versie met andere aanpassingen. In deze methode, instrueert het ene kind (tutor) het andere kind (tutee); de tijd die het de tutee kost om de opdracht te volbrengen en de verbale uitingen en gedragskenmerken van frustratie, verveeldheid en plezier zijn een indicatie van de bruikbaarheid van de materialen. De mate van verbetering ten opzichte van de originele versie geeft inzicht in hoe bestaande materialen kunnen worden aangepast om te voldoen aan eisen van toegankelijkheid en gebruikersvriendelijkheid voor visueel beperkte leerlingen.

Aan deze studie nemen zowel visueel beperkte leerlingen als ziende leerlingen in het regulier onderwijs deel. De materialen worden hiermee niet alleen getest op bruikbaarheid voor visueel beperkte leerlingen, maar ook in hoeverre het materiaal geschikt is voor ziende leerlingen. Hiermee willen wij voldoen aan de principes van inclusief ontwerp. Wanneer de materialen ook geschikt zijn voor ziende kinderen, is de kans groter dat dat materiaal geschikt is voor CT lessen in zowel speciaal als regulier onderwijs dat bijdraagt aan inclusief onderwijs (WP2b). De inzichten verkregen in bovenstaande studies worden vertaald naar richtlijnen en aanbevelingen, waarbij een lijst wordt opgesteld met geschikte materialen en mogelijke aanpassingen van deze materialen. De verspreiding van de lijst gebeurt onder andere door middel van een interactief platform. Bezoekers van dit platform kunnen niet alleen kennis opdoen over geschikte, inclusieve programmeermaterialen voor visueel beperkte leerlingen, maar kunnen ook hun ervaringen en evaluaties met geteste en nieuwe programmeermaterialen delen (WP2c). Met deze richtlijnen en concrete voorbeelden beogen we Computational Thinking en programmeeronderwijs ook voor visueel beperkte leerlingen in zowel het speciaal als het regulier onderwijs mogelijk te maken.

Snel naar

Kenmerken

  • Projectnummer:
    94313001
  • Looptijd: 100%
    Looptijd: 100 %
    2018
    2022
  • Gerelateerde programma's:
  • Projectleider en penvoerder:
    Dr. F.F.J. Hermans
  • Verantwoordelijke organisatie:
    Technische Universiteit Delft