Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

An integrated study on Q fever in livestock farmers and their (small) ruminants in the Netherlands

Q-koorts is in Nederland uitgegroeid tot een epidemie. Daarom financiert ZonMw onderzoek dat op korte termijn resultaten oplevert en binnen de Nederlandse bestrijding toepasbaar is. Het RIVM is een landelijk onderzoek gestart naar de aanwezigheid en risicofactoren van Q-koorts op veehouderijen.

Het Q-VIVE onderzoek moet duidelijk maken in welke mate de Q-koortsbacterie voorkomt op veehouderijen met melkgeiten, schapen en melkrunderen. Op elk bedrijf worden de dieren, de veehouders en hun gezinsleden onderzocht. Hun bloed wordt onderzocht op antistoffen tegen de Q-koortsbacterie. Verder wordt onderzocht welke factoren een rol spelen bij de aanwezigheid van Q-koorts op een bedrijf. Het gaat om mogelijke risicofactoren voor besmetting van dieren, maar ook om factoren die belangrijk zijn voor de veehouders. Een gedeelte van de bedrijven wordt onderzocht op de aanwezigheid van de Q-koorts bacterie, met behulp van onder andere stof- en luchtmonsters. Inmiddels is de gegevensverzameling bij alle bedrijven bijna afgerond. Het RIVM werkt nu met name aan de analyses en rapportages.

Producten

Titel: Infectious Disease Control and Occupational Health
Link: http://www.icohscom2011.nl/
Titel: Risk factos for Q fever infections in dairy goat farmers' households in the Netherlands
Link: http://ecdc.europa.eu/en/escaide/Pages/ESCAIDE2010_Home.aspx
Titel: Prevalence of Coxiella burnetii in ticks after a large outbreak of Q fever.
Auteur: Hein Sprong, Ellen Tijsse-Klasen, Merel Langelaar, Arnout de Bruin, Manoj Fonville, Fedor Gassner, Willem Takken, Sip van Wieren, Ard Nijhof, Frans Jongejan, Catharina B.M. Maassen, Ernst-Jan Scholte, Joppe W.R. Hovius, K. Emil Hovius, Eva Špitalská, Yvonne T. van Duynhoven1
Magazine: Zoonoses and Public Health

Verslagen


Eindverslag

In een geïntegreerd onderzoeksproject uitgevoerd in 2009-2011, is binnen vier veehouderijtakken in Nederland gekeken naar het vóórkomen en de risicofactoren voor infecties met de Q-koorts bacterie, Coxiella burnetii. Het ging om bedrijven met melkgeiten (141 deelnemende bedrijven), melkschapen (14), vlees- en fokschapen (119) en melkrunderen (311). Daarbij werd gekeken naar de aanwezigheid van antistoffen tegen de bacterie bij een steekproef van de dieren op het bedrijf en bij de veehouderijfamilie of eventuele werknemers van het bedrijf. Ook werd bij een deel van de melkgeitenbedrijven en schapenbedrijven de stal en directe stalomgeving onderzocht op besmetting met de bacterie. Als gekeken wordt naar het percentage veehouderijbewoners met antistoffen tegen de bacterie, dan werden vergelijkbare, hoge, percentages gevonden voor de melkgeiten- (69%),melkschapen- (67%)en melkrundhouderijen (72%). Een wat lager percentage werd gevonden op de vlees- en fokschaapbedrijven (51%). Dat betekent dat deze personen in het verleden of mogelijk onlangs een infectie met de Q-koorts bacterie doormaakten, al dan niet met klachten. Alhoewel dus ook op de melkrunderbedrijven het percentage bewoners met antistoffen hoog was, werden er relatief weinig aanwijzingen gevonden voor recente infecties (1% versus 11% bij de melkgeiten- en melkschapenhouderij bewoners) en chronische infecties (0,1% versus 4%). Dit suggereert dat de klinische impact van infecties in deze bedrijfstak beperkt is, wat ook strookt met de afwezige rol van melkrunderen in de Q-koorts epidemie van 2007-2009. Verklaringen hiervoor worden gezocht in het feit dat de bacterie bij runderen zelden tot abortussen leidt, i.t.t. bij geïnfecteerde melkgeiten en melkschapen, en dat in de melkrundersector andere varianten van de bacterie circuleren, die wellicht een minder ziekmakend vermogen hebben. De genoemde percentages bewoners met doorgemaakte Q-koorts liggen voor alle bedrijfstakken duidelijk hoger dan wat gevonden werd bij een willekeurige groep van de Nederlandse bevolking vlak voor de epidemie. Van die mensen had 2% ooit de infectie doorgemaakt. De percentages liggen ook hoger in vergelijking met de inwoners van het zwaarst door de Q-koorts epidemie getroffen gebied; in het najaar van 2007 bleek een kwart van de inwoners van Herpen e.o. de infectie te hebben doorgemaakt. Dit laat zien dat veehouders en hun gezinsleden in Nederland een grote kans hebben om gedurende hun leven een infectie met de Q-koorts bacterie op te lopen, al dan niet met klachten. Als gekeken wordt naar antistoffen tegen de bacterie bij de dieren op het bedrijf, werd het hoogste percentage positieve dieren gevonden op de melkgeiten- en melkschapenbedrijven, respectievelijk 21% en 19%. Voor vlees- en fokschapen lag dit met 2% beduidend lager. De melkkoeien zijn niet individueel bemonsterd. De resultaten van de infecties bij dieren komen goed overeen met de dominante rol die melkgeiten en melkschapen gespeeld hebben in de Q-koorts epidemie van 2007-2009. Vergelijking met eerdere schattingen uit onderzoek in 2008, liet bovendien zien dat in de melkschapen- en melkgeitensector de bacterie zich tijdens de epidemie duidelijk verder heeft verspreid. Voor de vlees- en fokschapen werd geen toename in de tijd gezien. Voor deze schapen was er tijdens de epidemie ook enkel een relatie met Q-koorts patienten als er direct contact met schapen had plaatsgevonden op bedrijven waar de bacterie voorkwam. Een rol voor verwaaiing naar omwonenden werd nooit gevonden. Een duidelijk hoger risico voor verspreiding van de bacterie vanuit melkgeiten en melkschapen in vergelijking met de vlees- en fokschapen bleek ook uit ons onderzoek in de stal en stalomgeving. Daar waren op de melkgeiten- en melkschapenbedrijven relatief meer onderzochte omgevingsmonsters positief voor de Q-koorts bacterie, en deze bevatten doorgaans ook een hogere concentratie van de bacterie, dan in de vlees-en fokschapenbedrijven. Risicofactoren voor infectie w

Kenmerken

  • Projectnummer:
    125020008
  • Looptijd: 100%
    Looptijd: 100 %
    2009
    2013
  • Gerelateerde programma's:
  • Gerelateerde subsidieronde:
  • Projectleider en penvoerder:
    Drs. B. Schimmer
  • Verantwoordelijke organisatie:
    RIVM