Achtergrond afbeelding Achtergrond afbeelding darkmode

JGZ-standaard Borstvoeding

Borstvoeding heeft belangrijke gezondheidsvoordelen voor moeder en kind. Veel verschillende zorgaanbieders zijn betrokken bij begeleiding en ondersteuning bij borstvoeding. Het succes van het starten met borstvoeding bij geboorte in ziekenhuizen, omringd door meerdere zorgaanbieders, is lager dan bij geboorte thuis. En iets meer dan de helft van de moeders had liever langer zelf willen voeden; tweederde van hen voelt zich hierover teleurgesteld. Een multidisciplinaire richtlijn borstvoeding brengt voorlichting en advisering op één lijn en maakt de zorgketen sluitender. Een richtlijn draagt bovendien bij aan het evidence based handelen van alle betrokken beroepsgroepen.
Omdat in Nederland jaarlijks meer dan 100 zuigelingen worden opgenomen met dehydratie tijdens het geven van borstvoeding is een uniform preventieprogramma en behandelprotocol bij (dreigende) dehydratie onderdeel.
Tijdens het project ontwikkelt een multidisciplinaire werkgroep, samen met TNO-deskundigen, de eerste versie van een conceptrichtlijntekst. Dit is de eerste multidisciplinaire richtlijn waaraan álle beroepsgroepen in de zorgketen bijdragen.

Producten

Titel: Landelijke richtlijn Borstvoeding in de jeugdgezondheidszorg. Fase I: Inventarisatie en beoordeling bestaande protocollen (TNO-rapport)

Verslagen


Eindverslag

Vele organisaties hebben een eigen lokaal protocol voor begeleiding en ondersteuning bij borstvoeding. TNO inventariseerde protocollen met als onderwerp borstvoeding en beoordeelde of daarvan één geschikt is om als landelijk uniforme richtlijn voor de jeugdgezondheidszorg te dienen.

Methode
Van november 2006 t/m augustus 2007 werden protocollen, richtlijnen, handleidingen e.d. verzameld. Hiertoe zijn alle 56 thuiszorgorganisaties en alle 39 GGD’en met jeugdgezondheidszorg in hun pakket; alle 112 afdelingen kraamzorg, en evenzoveel kinderafdelingen van ziekenhuizen; 7 BFHI-gecertificeerde verloskundige praktijken; de opleiding voor lactatiekundigen; de koepel van verloskundigen KNOV en de Stichting Kinderopvang Nederland benaderd. Leden van het Platform Borstvoeding hebben we gevraagd of zij contactpersonen in hun netwerk wilden vragen om ons protocollen te sturen. Bij de ZorgMediatheek controleerden we of daar nog protocollen in het bestand waren die wij misten.

De protocollen werden bekeken en beoordeeld op de volgende thema’s:
1.Procedure bij het maken van beleid (15 onderwerpen);
2.Methodologische kwaliteit en impact (AGREE instrument; 23 stellingen);
3.Reikwijdte (39 onderwerpen) en
4.Kwaliteit van de inhoud (maximaal 15 items)

De uitkomsten van de beoordelingen werden gekwantificeerd. Zes inhoudelijke onderwerpen werden uitgelicht om de kwaliteit van de advisering op basis van bewezen onderbouwing (‘evidence’) te toetsen.

Resultaten
Er werd antwoord verkregen van 107 organisaties en afdelingen van ziekenhuizen, die ons 76 verschillende protocollen toe hebben gestuurd. De meeste protocollen waren gericht op ziekenhuizen of op de hele keten van kraamzorg, organisaties voor thuiszorg met ouder en kindzorg in hun pakket, ziekenhuis en verloskundige of op de combinatie kraamzorg en organisaties voor thuiszorg met ouder en kindzorg in hun pakket.

Procedure. Er bleek een grote variatie in de kwaliteit van de protocollen met betrekking tot het thema ‘procedure’ te bestaan; gemiddeld waren 10 van de 15 onderwerpen in het protocol terug te vinden, maar het aantal varieerde van 0 tot 15. Het leeuwendeel van de protocollen had een naam, datering of laatste actualisering, inhoudsopgave en benoemde de doelgroep; de meerderheid noemde een eindverantwoordelijke en had een literatuurlijst en een adressenlijst of sociale kaart. Criteria voor de beoordeling van wat normaal is en waarvoor verwezen moet worden ontbraken echter in een kwart van de protocollen. In meer dan de helft van de protocollen ontbrak een aanwijzing voor de registratie van het soort voeding en van de gegeven voorlichting. De houding van professionals tijdens voorlichting aan de ouders kreeg in iets meer dan de helft van de protocollen aandacht. Vooral bij protocollen van ziekenhuizen werd ketenzorg weinig vermeld. Een kwart van de protocollen gaf een procedure voor herziening van het protocol.

Methodologie en impact. Er bleek een grote variatie in de kwaliteit van de protocollen. De maximale score op het AGREE instrument was 92. De gemiddelde score was 64 (range 40-75). Onderwerp en doel werden in bijna alle protocollen goed beschreven; adviezen werden duidelijk beschreven en gepresenteerd; organisatorische belemmeringen werden meegenomen. De leden van de redactie bestaan echter vaak niet uit alle vertegenwoordigers van de ketenzorg. Globaal werd meestal wel gezegd dat het protocol op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd is, maar slechts enkele protocollen gaven referenties. Het perspectief van ouders werd maar in een deel van de protocollen meegenomen. Kostenimplicaties van beleid werden zelden meegenomen.

Reikwijdte en kwaliteit van de inhoud. Vaak werd het boek van de Reede (2007) gebruikt. Dit boek omvat 39 onderwerpen; gemiddeld werden per protocol 29 (range 0-39) onderwerpen beschreven. Grote variatie bestond bij de juistheid van de advisering. Van de zes uitgelichte onderwerpen werd gemiddeld 72% (range 30-100%) juist weergegeven.

Eindoordeel. Wij vo

Snel naar

Kenmerken

  • Projectnummer:
    84000004
  • Looptijd: 100%
    Looptijd: 100 %
    2006
    2007
  • Gerelateerde programma's:
  • Gerelateerde subsidieronde:
  • Projectleider en penvoerder:
    Dr. M. Kamphuis
  • Verantwoordelijke organisatie:
    TNO