Mobiele menu

Ontwikkeling JGZ richtlijn Zindelijkheid

Zindelijk worden, is een ontwikkelingsproces dat zich meestal gedurende de eerste levensjaren voltrekt. Zowel voor plassen (dag en/of nacht) als voor ontlasting geldt dat de kinderen door gericht oefenen een grotere kans hebben om zindelijk te worden dan door af te wachten tot het kind vanzelf zindelijk wordt. TNO is eind 2007 gestart met het ontwikkelen van een richtlijn zindelijkheid voor de jeugdgezondheidszorg (JGZ). Een groot aantal deskundigen uit de JGZ en daarbuiten (zoals een gespecialiseerde kinderfysiotherapeut, huisarts, kinderarts) werkten mee aan de richtlijn.

In de fase van ontwikkeling werd een proefimplementatie (pilot) uitgevoerd om de richtlijn in de JGZ-praktijk te testen. De uiteindelijke richtlijn geeft concrete adviezen voor signaleren en begeleiden van de normale zindelijkheidsontwikkeling en advies en hulp bij eventuele problemen. De richtlijn werd begin 2011 definitief goedgekeurd door de richtlijnadviescommissie van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid (NCJ) en wordt naar verwachting begin 2012 verspreid.

Verslagen


Eindverslag

Zindelijk worden is een ontwikkelingsproces dat zich meestal gedurende de eerste levensjaren voltrekt. Op adolescente leeftijd is 2% van de mensen ’s nachts nog onzindelijk voor urine (enuresis nocturna). Op volwassen leeftijd is dat nog ongeveer 0,5%. Fecesincontinentie komt voor bij ongeveer 1-3% van de kinderen vanaf 4 jaar. Zowel voor enuresis (dag en/of nacht) als voor fecesincontinentie geldt dat de kinderen door interventies een grotere kans hebben om zindelijk te worden dan indien afgewacht wordt totdat het kind vanzelf zindelijk wordt. Kinderen die niet zindelijk worden vertonen psychosociale problematiek in een hoger percentage dan zindelijke kinderen. Door eerder aandacht te besteden aan de problemen rondom zindelijkheid kunnen bestaande interventies eerder ingezet worden en kan het ontstaan van (ernstige) psychosociale problematiek voorkomen worden. Kinderen die (opnieuw) zindelijk worden voelen dat als een enorme stimulans en persoonlijke groei. Als zij zindelijk zijn houden zij meer energie over om te besteden aan het oplossen van eventuele andere bestaande problematiek. Daarnaast levert het financieel en praktisch voor de ouders veel voordeel op als een kind sneller zindelijk is. Een onzindelijk kind zorgt voor werk en kosten (luiers, kleding wassen bij ongelukjes).

De jeugdgezondheidszorg (JGZ) kan tijdens de verschillende consulten van 0-19 jaar, preventieve voorlichting geven, problemen rondom zindelijkheid signaleren, eventueel tijdige doorverwijzing en ook zelf begeleiden. Binnen de JGZ bestaan er momenteel verschillende werkwijzen en protocollen over de signalering en begeleiding van onzindelijkheid. Er bestaan enkele landelijke documenten voor de JGZ (richtsnoer enuresis nocturna 2004, richtsnoer encopresis 2005), maar deze zijn niet bij iedereen bekend en dienen aangepast te worden aan de huidige stand van zaken. Huisartsen werken met de standaarden incontinentie en (recent verschenen) obstipatie. Ook zijn de richtlijnen ‘behandeling urine incontinentie bij kinderen’ en ‘obstipatie bij kinderen’ voor de tweede lijn verschenen. Een landelijke JGZ richtlijn zindelijkheid (zowel met betrekking tot onzindelijkheid voor urine als fecale incontinentie), die aansluit bij de diverse documenten en zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijke evidence, is daarom nodig om tot een uniforme en effectieve werkwijze te komen in de hele lijn gezondheidszorg voor de jeugd.

De richtlijn is zoveel mogelijk ontwikkeld uitgaande van wetenschappelijke evidentie (de EBRO -evidence based richtlijn ontwikkeling- methodiek). Daar waar deze niet aanwezig was, is invulling aan het stappenplan gegeven op basis van de praktijk of expertopinie.
Inbreng van verschillende partijen heeft plaatsgevonden in diverse rondes: akkoord van de Richtlijnadviescommissie (van het Centrum Jeugdgezondheid, tegenwoordig NCJ), waarin onder andere zijn vertegenwoordigd: beroepsverenigingen (AJN, V&VN en NVDA), de koepels (ActiZ, GGD-NL), en de VNG en Inspectie. Daarnaast werd een landelijke consultatieronde gehouden, waarbij de richtlijn op diverse websites gepubliceerd werd voor commentaar en werden gericht experts vanuit verschillende disciplines aangeschreven.

Vanuit de concept versie van de richtlijn werden in 2010 indicatoren vastgesteld. Kernelementen zijn die activiteiten die in ieder geval uitgevoerd moeten worden om het effect van de richtlijn bij de 0-19 jarige te bewerkstelligen. Het betreft activiteiten die JGZ medewerkers in ieder geval in staat stellen om goede voorlichting en begeleiding te bieden aangaande zindelijkheid én
problematiek bij alle kinderen effectief te kunnen signaleren, erover te kunnen adviseren, hulp te bieden of te verwijzen. Daarnaast is deze conceptversie in 2010 getest in de praktijk in een proefimplementatie. Het doel van de proefimplementatie was tweeledig. Enerzijds werd de richtlijn uitgetest en vervolgens aan de hand van de resultaten aangepast, zowel tekstueel als eventueel inhoudelijk. Tevens werd onde

Zindelijk worden is een ontwikkelingsproces dat zich meestal gedurende de eerste levensjaren voltrekt. Op adolescente leeftijd is 2% van de mensen ’s nachts nog onzindelijk voor urine (enuresis nocturna). Op volwassen leeftijd is dat nog ongeveer 0,5%. Fecesincontinentie komt voor bij ongeveer 1-3% van de kinderen vanaf 4 jaar. Zowel voor enuresis (dag en/of nacht) als voor fecesincontinentie geldt dat de kinderen door interventies een grotere kans hebben om zindelijk te worden dan indien afgewacht wordt totdat het kind vanzelf zindelijk wordt. Kinderen die niet zindelijk worden vertonen psychosociale problematiek in een hoger percentage dan zindelijke kinderen. Door eerder aandacht te besteden aan de problemen rondom zindelijkheid kunnen bestaande interventies eerder ingezet worden en kan het ontstaan van (ernstige) psychosociale problematiek voorkomen worden. Kinderen die (opnieuw) zindelijk worden voelen dat als een enorme stimulans en persoonlijke groei. Als zij zindelijk zijn houden zij meer energie over om te besteden aan het oplossen van eventuele andere bestaande problematiek. Daarnaast levert het financieel en praktisch voor de ouders veel voordeel op als een kind sneller zindelijk is. Een onzindelijk kind zorgt voor werk en kosten (luiers, kleding wassen bij ongelukjes).

De jeugdgezondheidszorg (JGZ) kan tijdens de verschillende consulten van 0-19 jaar, problemen rondom zindelijkheid signaleren. Met het hoge bereik van de JGZ kunnen zij een belangrijke taak in hebben in preventie en signaleren van van problemen, tijdige doorverwijzing en ook zelf begeleiden. Binnen de JGZ bestaan er momenteel verschillende werkwijzen en protocollen over de signalering en begeleiding van onzindelijkheid. Er bestaan enkele landelijke documenten voor de JGZ (richtsnoer enuresis nocturna 2004, richtsnoer encopresis 2005), maar deze zijn niet bij iedereen bekend en dienen aangepast te worden aan de huidige stand van zaken. Er bestaat het kenniscentrum bedplassen (http://www.bedplassen.org/). Daarnaast hebben enkele GGD-en lokale protocollen en hebben de huisartsen recent hun standaard ge-update (Boomsma 2006). Binnenkort zullen de richtlijnen ‘behandeling urine incontinentie bij kinderen’ en ‘fecale incontinentie’ voor de tweede lijn verschijnen. Een landelijke JGZ richtlijn zindelijkheid (zowel met betrekking tot enuresis als fecesincontinentie), die aansluit bij de diverse documenten en zoveel mogelijk gebaseerd op wetenschappelijke evidence, is daarom nodig om tot een uniforme en effectieve werkwijze te komen in de hele lijn gezondheidszorg voor de jeugd.

Het doel van het onderhavige project is de ontwikkeling van een JGZ richtlijn zindelijkheid volgens de EBRO (evidence based richtlijn ontwikkeling) methodiek, die verwerkt is in de methodiek die aangehouden wordt door de JGZ Richtlijnadviescommissie van het RIVM (destijds de JAS). Doel van deze richtlijn zindelijkheid is het door de JGZ tijdig en correct signaleren, verwijzen en begeleiden van kinderen van kinderen met zindelijkheidsproblemen. De richtlijn dient afgestemd te worden op de werkwijze van andere beroepsgroepen, zoals de huisartsen en kinderartsen en op de wensen van de ouders. Deze partijen zullen dan ook bij de ontwikkeling betrokken worden. De vroege onderkenning van onzindelijkheid en het erbij inzetten van interventie door de JGZ is uiteindelijk gericht op de afname van de psychosociale problemen bij kinderen.

Indien de richtlijn ontwikkeld is, zullen de indicatoren hiervan worden vastgesteld. Deze indicatoren zullen ingezet worden bij een proefimplementatie met een effect-onderzoek. In dit onderzoek zal de concept richtlijn uitgezet worden in proefregio’s en controleregio’s. In de controleregio’s zal de richtlijn alleen verspreid worden, terwijl in de proefregio’s diverse acties ter implementatie van de richtlijn zullen worden ondernomen. Het doel van de proefimplementatie is tweeledig. Enerzijds zal de richtlijn na het uittesten in de regio’s aangepast worden a

Kenmerken

Projectnummer:
156000002
Looptijd: 100%
Looptijd: 100 %
2007
2011
Onderdeel van programma:
Projectleider en penvoerder:
Dr. M. Kamphuis
Verantwoordelijke organisatie:
TNO