Richtlijn beleid bij immatuur geboren kinderen in Nederland
Het beleid rond intensive care behandeling van ernstig te vroeg geboren kinderen lijkt in Nederland te verschillen met andere westerse landen. Daarnaast bestaat er in ons land variatie in lokaal beleid. Daarom is besloten tot het opstellen van een richtlijn voor klinisch handelen.
Resultaten
Deze richtlijn betreft alle zwangere vrouwen met een dreigende spontane extreme vroeggeboorte vanaf een zwangerschapsduur van 22 0/7 weken tot 26 0/7 weken. En alle geboren kinderen bij deze zwangerschapsduur.
Er zijn 5 aanbevelingen:
- Neonatologische opvang vanaf een zwangerschapsduur van 24 0/7 weken.
- Het meenemen van individuele prognostische factoren bij de counseling als biologische feiten.
- Verwijzen van zwangeren met een dreigende spontane vroeggeboorte vanaf een zwangerschapsduur van 23 4/7 weken naar een perinatologisch centrum.
- Bij een levensvatbare foetus toediening van corticosteroïden aan de moeder met dreigende vroeggeboorte vanaf een zwangerschapsduur van 23 5/7 weken.
- Overweging om vanaf een zwangerschapsduur van 24 weken een keizersnede te verrichten.
Verslagen
Eindverslag
Deze richtlijn betreft alle zwangere vrouwen met een dreigende spontane extreme vroeggeboorte vanaf een zwangerschapsduur van 22 0/7 weken tot een zwangerschapsduur van 26 0/7 weken, en alle kinderen die bij deze zwangerschapsduur geboren worden. De richtlijn is geschreven voor alle medewerkers in de gezondheidszorg die te maken hebben met deze patiëntengroep in zowel de eerste, tweede- als derdelijnsgezondheidszorg.
Het doel van deze richtlijn is te komen tot een betere identificatie van zwangeren met een dreigende extreme vroeggeboorte, en optimaliseren van de zorg voor extreem vroeg geboren kinderen in Nederland. Om hierover gefundeerde aanbevelingen te kunnen doen, wordt een samenvatting gegeven van de wetenschappelijke stand van zaken en kennis uit de praktijk volgens de moderne (inter)nationale standaard voor richtlijnontwikkeling: de Evidence Based Richtlijnen Ontwikkeling (EBRO) waaraan het Dutch Cochrane Centre en het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg Centraal Begeleidingsorgaan (CBO) hebben bijgedragen. De richtlijn kan dienen als ondersteuning in het besluitvormingsproces, moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit en doelmatigheid van het medisch handelen en moet meer uniformiteit in de praktijkvoering teweegbrengen.
Er zijn een vijftal aanbevelingen voor de klinische praktijk geformuleerd:
1. Vanaf welke zwangerschapsduur wordt neonatologische opvang aanbevolen? De werkgroep is van mening dat er op grond van de beschikbare literatuur wetenschappelijke argumenten zijn om premature pasgeborenen vanaf een zwangerschapsduur van 24 0/7 weken actief bij de geboorte op te vangen. Het beleid verandert hiermee ten opzichte van de consensusrichtlijn uit 2005 van "nee tenzij" in "ja tenzij" vanaf 24 0/7 weken. Voorafgaand aan de behandeling dient zo vroeg mogelijk overleg met de ouders door neonatoloog en perinatoloog plaats te vinden. Bij een zwangerschapsduur onder 24 0/7 weken lijkt op dit ogenblik een op comfort en familie gericht beleid meer gerechtvaardigd.
2.Spelen individuele prognostische factoren (geslacht, huidskleur, gewicht) een rol in het perinatologisch beleid?De werkgroep is van mening dat individuele prognostische factoren dienen te worden meegenomen bij de counseling als biologische feiten. Zij kunnen een rol spelen in het perinatologisch beleid, waarbij echter de beperking in acht genomen moet worden dat tot op heden niet vaststaat welk gewicht aan individuele prognostische factoren toegekend moet worden, omdat deze nooit zijn geëvalueerd in de Nederlandse praktijkvoering. Hiernaar dient in Nederland een prospectief onderzoek te worden uitgevoerd.
3. Vanaf welke zwangerschapsduur wordt intra-uteriene verwijzing naar een perinatologisch centrum geadviseerd? De werkgroep adviseert om zwangeren met een dreigende spontane vroeggeboorte vanaf een zwangerschapsduur van 23 4/7 weken te verwijzen naar een perinatologisch centrum. Dreigende vroeggeboorte wordt gedefinieerd aan de hand van de aan- of afwezigheid van risicofactoren – alleen of in combinatie.
Intra uteriene overplaatsing naar een perinatologisch centrum wordt geadviseerd:
• Indien er sprake is van gebroken vliezen, ongeacht of er sprake is van weeënactiviteit.
• Indien een patiënte met symptomen van dreigende vroeggeboorte een cervixlengte korter dan 15 mm heeft.
• Indien er meer dan 3 cm ontsluiting is
• Indien op andere gronden een snelle premature bevalling te verwachten is.
4. Vanaf welke zwangerschapsduur is het geven van corticosteroïden aan de moeder met een dreigende vroeggeboorte ter bevordering van de foetale longrijping geïndiceerd? De werkgroep adviseert om bij een levensvatbare foetus corticosteroïden toe te dienen aan de moeder met dreigende vroeggeboorte vanaf een zwangerschapsduur van 23 5/7 weken.
5. Vanaf welke zwangerschapsduur wordt een sectio caesarea aanbevolen indien hiertoe een foetale indicatie ontstaat bij spontane vroeggeboorte? Vanaf een zwangerschapsduur van 24 weken kan overwogen worden een secti
Zie de BIJLAGE STAPPENPLAN.
Beschrijving aanpak en resultaten tot op heden:
1. Knelpuntenanalyse en formuleren van uitgangsvragen
De huidige stand van zaken met betrekking tot het beleid bij immatuur geboren kinderen is geïnventariseerd met behulp van vragenlijsten, beantwoord door neonatologen/ perinatologen uit alle 10 Nederlandse tertiaire centra. Er zijn na de bespreking van deze stand van zaken op de eerste klankbordgroepvergadering op 8 april jongstleden een vijftal knelpuntvragen geformuleerd, waarover momenteel literatuuronderzoek verricht wordt. Deze 5 knelpuntvragen zijn:
Vanaf welke zwangerschapsduur wordt neonatologische opvang aanbevolen?
Spelen individuele prognostische factoren (geslacht, huidskleur, gewicht, infectie) een rol in het perinatologisch beleid?
Wat is het effect van het geven van corticosteroïden aan de moeder op de uitkomst van immature (22-26 weken) pasgeborenen?
Vanaf welke termijn wordt intra-uteriene verwijzing naar een perinatologisch centrum geadviseerd?
Vanaf welke zwangerschapsduur wordt bij foetale nood een sectio caesarea aanbevolen?
2. Zoeken, selecteren en samenvatten van evidence
Per uitgangsvraag (n=5) wordt momenteel systematisch literatuuronderzoek verricht, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van bestaande richtlijnen, reviews en evidence reports, zoals beschikbaar via de database van Guideline International Network (G-I-N). Daarnaast worden databases van peer reviewed literatuur, zoals Medline en Embase, geraadpleegd, met hulp van clinical librarians. Er wordt ook specifiek gezocht worden naar goede kwalitatieve studies, met name bij de vragen over het patiëntperspectief. Uitwerking van de vragen verloopt als volgt:
1. Vanaf welke zwangerschapsduur wordt neonatologische opvang aanbevolen?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden wordt in de literatuur gezocht naar het antwoord op de volgende prognostische vraag: Wat is de gezondheidsuitkomst van kinderen geboren na een zwangerschapsduur van 22-26 weken?
Zoekactie (Systematische review van) prospectieve cohorten. Eindverantwoordelijken uitvoering systematisch literatuuronderzoek: Prof. dr. F. Walther (LUMC), dr N. Boluyt (AMC)
2. Spelen individuele prognostische factoren (geslacht, huidskleur, gewicht, infectie) een rol in het perinatologisch beleid?
In eerste instantie wordt in de literatuur gezocht welke prognostische factoren een rol spelen: Specifieke vraag Welke individuele factoren (geslacht, huidskleur, gewicht) beïnvloeden de prognose bij immature (22-26 weken) pasgeborenen?
Zoekactie (Systematische review) van prospectieve cohorten. Eindverantwoordelijken uitvoering systematisch literatuuronderzoek: Prof. dr. F. Walther (LUMC), dr N. Boluyt (AMC). Deze vraag is gekoppeld aan vraag 1.
3 Wat is het effect van het geven van corticosteroïden aan de moeder op de uitkomst van immature (22-26 weken) pasgeborenen?
Zoekactie (Systematische review van) RCTs. Eindverantwoordelijken uitvoering systematisch literatuuronderzoek: Prof. dr. M. Offringa, Prof. dr. B.W. Mol, dr. M.W.M. de Laat (AMC).
4. Vanaf welke termijn wordt intra-uteriene verwijzing naar een perinatologisch centrum geadviseerd? Het antwoord op deze vraag zal afhangen van de aanbeveling bij vraag 1. Mede moet de volgende vraag beantwoord worden: Wanneer is er sprake van een dreigende vroeggeboorte? Specifieke vraag Welke symptomen en bevindingen bij lichamelijk onderzoek van de moeder zijn risicofactoren voor immatuur (22-26 weken) bevallen? Zoekactie (Systematic review van) prospectieve cohorten. Uitkomst gaat weergegeven worden in een prognostisch model. Eindverantwoordelijken uitvoeren systematisch literatuuronderzoek: Prof dr B.W. Mol (AMC), dr M.W.M. de Laat (AMC).
5. Vanaf welke zwangerschapsduur wordt bij foetale nood een sectio caesarea aanbevolen? Hiervoor moeten de volgende subvragen beantwoord worden: 1. Wat is de uitkomst voor de moeder na een laag corporele incisie voor wat betreft gezondheid en toekomstige zwangerschappen? Zoekactie (S