Substance use among adolescents in Special Education and Residential Youth Care
Problematisch genotsmiddelengebruik in jeugdzorg en speciaal onderwijs
Leerlingen van het speciaal onderwijs en bewoners van jeugdzorgvoorzieningen zijn een risicogroep voor problematisch gebruik van alcohol en drugs. Inzicht in die risico’s is er nog nauwelijks omdat er weinig gegevens over deze groep zijn, ook niet in het buitenland. Dat betekent dat er feitelijk geen preventieprogramma’s zijn die zijn afgestemd op deze groep. Er is dus veel behoefte aan kennis over deze groep lastig te onderzoeken jongeren.
Doel
Daarom gaat dr. Karin Monshouwer vier jaar lang een groep jongeren tussen de 12 en 17 jaar volgen. Het doel van haar onderzoek is inzicht krijgen in de overgang van experimenteel genotsmiddelengebruik naar problematisch gebruik. Bij 3100 jongeren neemt ze een vragenlijst af over alcohol- en druggebruik. Deze is afgestemd op de vragenlijsten van TRAILS en het Peilstation Middelengebruik Scholieren, zodat de uitkomsten onderling vergeleken kunnen worden.
Doelgroep
Preventiewerkers speciaal onderwijs en jeugdgezondheidszorg, beleidsmakers
Producten
Auteur: Annelies Kepper
Auteur: Kepper, A, Monshouwer, K, Vollebergh, WAM
Magazine: European Child and Adolescent Psychiatry
Auteur: Annelies Kepper, Karin Monshouwer, Saskia van Dorsselaer, Wilma Vollebergh
Magazine: TSG Tijdschrift voor Gezondheidswetenschappen
Auteur: Kepper, A., van den Eijnden, R., Monshouwer, K., & Vollebergh, W
Magazine: European Child and Adolescent Psychiatry
Verslagen
Eindverslag
Eerdere, kleine, niet representatieve cross-sectionele studies suggereerden dat 'speciale groepen' (jongeren in het leerwegondersteunend onderwijs (LWOO), praktijkonderwijs (PRO), Rec-4 scholen in het voortgezet speciaal onderwijs (Rec-4) en de Residentiële Jeugdzorg (RJZ)) een verhoogd risico hebben op (riskant) middelengebruik. Actuele, landelijk representatieve gegevens ontbraken echter. Daarnaast ontbrak het in deze groepen aan prospectief onderzoek naar risicofactoren. Het onderhavige onderzoek tracht een bijdrage te leveren aan de kennis over middelengebruik in deze groepen door inzicht te geven in de omvang van riskant middelengebruik in het speciaal onderwijs en de jeugdzorg en onderzoek te doen naar de rol van risicofactoren in de sociale omgeving en individuele kwetsbaarheidsfactoren. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt met representatieve groepen leerlingen uit het regulier onderwijs.
De onderzoeksvragen zijn getoetst met behulp van cross-sectionele en longitudinale data (follow-up van 3 jaar).
In het najaar van 2008 heeft de eerste meting plaatsgevonden (RJZ: N=531; REC-4: N=603, LWOO en PRO N=1905 respondenten in de leeftijd van 12-16 jaar). Een deel van deze jongeren heeft deelgenomen aan 3 jaarlijkse nametingen (najaar 2009, 2010, 2011), In het speciaal onderwijs (alleen LWOO en Praktijkonderwijs) werden alle leerlingen uit het eerste leerjaar geincludeerd (N=578). Daarvan hebben er 536 (93%) op T1 deelgenomen, 493 op T2 (85%), 457 op T3 (79%) en 420 leerlingen op T4 (73% van het oorspronkelijk aantal geïncludeerde leerlingen).
In de Jeugdzorg zijn 448 jongeren benaderd voor het vervolgonderzoek, daarvan hebben er 241(54%)deelgenomen op T2, 165 (36%) op T3 en 138 (31%) op T4.
De resultaten van het eerste meetmoment lieten zien dat, vergeleken met het regulier onderwijs, in de RJZ en het REC-4 significant meer jongeren dagelijks rookten, fors wekelijks alcohol dronken (gedefinieerd als 10 glazen of meer per week voor jongens en 8 glazen of meer voor meisjes) en ervaring hadden met het gebruik van cannabis of harddrugs. De verschillen waren vooral groot in de jongste leeftijdscategorie (12-13 jaar). De verschillen tussen jongeren in het PRO en LWOO enerzijds en het regulier onderwijs anderzijds waren minder groot en alleen significant wat betreft roken en harddrugsgebruik. Verder bleek dat het verhoogde risico op middelengebruik in de 'speciale groepen' vooral sterk was voor bepaalde subgroepen, zoals meisjes en allochtonen.
Zoals verwacht werden de jongeren in de RJZ en REC-4 gekenmerkt door een hoog risicoprofiel, zoals een instabiele gezinssituatie en gemiddeld hogere scores op individuele gedragsproblematiek zoals een impulsief karakter en externaliserende en internaliserende problematiek. Tevens hebben deze jongeren (veel) vrienden die eveneens veel middelen gebruiken en ander grensoverschrijdend gedrag vertonen. De vriendengroep ('het hebben van deviante vrienden') bleek de sterkst verklarende factor voor het hoge middelengebruik in RJZ en REC-4, terwijl individuele factoren relatief weinig invloed bleken te hebben.
Nader onderzoek in de RJZ liet zien dat jongeren die op de eerste meting (nog) niet dagelijks rookten, dronken waren geweest of cannabis of harddrugs hadden gebruikt na 1 jaar een groter risico hadden om te zijn gaan gebruiken dan een vergelijkingsgroep uit het regulier onderwijs. Het verblijf in de instelling lijkt dus geen bescherming te bieden voor het beginnen met middelengebruik. Voor dagelijks roken en cannabis bleken de verschillen verklaard te kunnen worden door het hoog risicoprofiel van deze groep, met name het hebben van gescheiden ouders bleek een belangrijke verklarende factor. Voor harddrugs bleef het risico op het starten met harddrugs sterk verhoogd, ook na controle voor het risicoprofiel. Nader onderzoek is nodig om vast te stellen in hoeverre deze bevindingen mogelijk samenhangen met een risicoverhogend effect van de RJZ setting (bv. aanwezigheid van veel drugsgebrui
Het onderhavige onderzoek 'EXPLORE', beoogt door middel van landelijk onderzoek, zicht te krijgen op het alcohol-, tabak- en drugsgebruik onder jongeren in de leeftijd van twaalf tot en met achttien jaar in het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo), het praktijkonderwijs, REC-4 scholen in het voortgezet speciaal onderwijs en jongeren die in een residentiële jeugdzorginstelling verblijven. Verondersteld wordt dat deze groepen kwetsbaar zijn wat betreft het gebruik van genotmiddelen, maar er is nauwelijks inzicht in de daadwerkelijke omvang van het gebruik in deze groepen. Ook is weinig bekend over de factoren die hieraan ten grondslag liggen. Dit gebrek aan informatie bemoeilijkt de beleidsvorming en het ontwikkelen van passende preventieprogramma's. Explore beoogt in deze informatie te voorzien door het uitvoeren van (1) een grootschalige, landelijke meting om inzicht te krijgen in de omvang, frequentie en hoeveelheid van het genotmiddelengebruik (in relatie tot de algemene populatie) en (2) een cohort studie (3 jaarlijkse follow-up metingen) onder een deel van deze groep (LWOO,praktijkonderwijs en Jeugdzorg) om beter zicht te krijgen op de ontwikkeling van het gebruik en de invloed van risico- en beschermende factoren.