Vaccinatie van zorgmedewerkers: 'vier vaccins, vier VOC's'. Een vergelijkend onderzoek naar antistofproductie door 4 verschillende SARS-CoV-2 vaccins tegen de verschillende VOC's in zorgmedewerkers.
Het coronavirus (SARS-CoV-2) is veranderd sinds de eerste keer dat het virus in Nederland kwam. Nieuwe varianten van het virus konden makkelijker door de bescherming van vaccinaties of de immuniteit door eerdere infecties heen breken. Daarom was het van groot belang om te weten hoe de 4 in Nederland gebruikte vaccins presteerden tegen de nieuwere virusvarianten, om zo goed mogelijk voor te bereiden op de toekomst.
Daarom hebben de onderzoekers de immuniteit (hoeveelheid antistoffen) bij 165 ziekenhuismedewerkers bepaald. Deze personen waren eerder gevaccineerd met 1 van de 4 coronavaccins (BNT162b2 (Pfizer), mRNA-1273 (Moderna), AZD1222 (AstraZeneca) of Ad26.COV2.S (Janssen)). Deze medewerkers hadden niet eerder een corona-infectie doorgemaakt. De resultaten toonden dat de hoeveelheid van beschermende (neutraliserende) antistoffen het hoogste was bij personen die gevaccineerd waren met mRNA-1273 (Moderna), gevolgd door personen gevaccineerd met BNT162b2 (Pfizer). Personen gevaccineerd met AZD1222 (Astra Zeneca) of Ad26.COV2.S (Janssen) hadden de laagste aantallen antistoffen. De antistoffen hadden een veel minder goed neutraliserende werking tegen de nieuwe variant Omicron dan tegen het originele coronavirus. Als deze personen hierna een boostervaccinatie met BNT162b2 (Pfizer) kregen dan werden de antistoffen duidelijk hoger, ook als bij nieuwere varianten zoals Omicron. Wat wel opviel is dat het effect van de booster-vaccinatie het minst goed was bij personen die oorspronkelijk met AZD1222 (Astra Zeneca) waren gevaccineerd.