Which active adolescent is 29 years later an inactive adult?
Uit dit onderzoek bleek dat er verschillende kenmerken zijn die voorspellen of iemand op 42-jarige leeftijd onvoldoende beweegt. Voor jongens / mannen zijn lagere score op rigiditeit, zelfgenoegzaamheid en hogere score op sociale wenselijkheid geassocieerd met minder lichamelijk activiteit op 42 jarige leeftijd. Bij meisjes / vrouwen is een betere sprint test geassocieerd met minder lichamelijke activiteit op 42 jarige leeftijd. Bewegingspatronen bleken echter geen voorspeller.
Verslagen
Eindverslag
In onze samenleving komen onvoldoende lichaamsbeweging en langdurig zitten veelvuldig voor. Wetenschappelijke studies hebben herhaaldelijk aangetoond dat mensen met een inactieve leefstijl een grotere kans hebben op overgewicht, hart- en vaatziekten, diabetes, beroertes, hypertensie en voortijdig overlijden. Om deze risico’s te verlagen is in de afgelopen jaren een aantal interventie programma’s ontwikkeld die zich richten op het verhogen van de hoeveelheid lichamelijke activiteit en het verminderen van de tijd die men zittend doorbrengt. Echter, deze programma’s bleken er op lange termijn vrijwel niet in te slagen om diverse doelgroepen (kinderen, jongeren, volwassenen en ouderen) meer te laten bewegen. Het primair voorkómen van onvoldoende lichamelijke activiteit en te veel zittend gedrag biedt daarom wellicht een beter perspectief, vooral wanneer deze preventieve interventies zich specifiek richten op groepen die een verhoogd risico op een inactieve leefstijl hebben. Helaas zijn tot op heden slechts weinig voorspellende factoren van een inactieve leefstijl bekend. Wel bestaan er duidelijke aanwijzingen dat de puberteit een cruciale periode is voor het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl.
In dit project zijn secundaire data-analyses uitgevoerd op de reeds verzamelde data van het Amsterdams Groei- en Gezondheidsonderzoek (AGGO). Aan de eerste meting (1976) namen ongeveer 600 deelnemers met een gemiddelde leeftijd van 13 jaar deel. Tussen 1976 en 2006 werden beweeg- en zittend gedrag -de belangrijkste uitkomstmaten van dit onderzoek- 10 keer gemeten. Tijdens de laatste meting (2006) werden beide gedragingen zowel objectief (met een interview), als subjectief (met een accelerometer) gemeten. Van 1976 tot 2006 werden tevens persoonlijkheids- en lichamelijke kenmerken en bewegingspatronen gemeten. Vanaf de zesde meting (1991) werden ook de frequentie en persoonlijke beoordeling van belangrijke gebeurtenissen in het leven en alledaagse problemen gemeten.
Het doel van dit onderzoek was tweeledig: (1) onderzoeken of er persoonlijkheids- en lichamelijke kenmerken en bewegingspatronen in de adolescentie zijn die voorspellen of iemand op 42-jarige leeftijd onvoldoende beweegt of overmatig veel zit; (2) onderzoeken of de longitudinale ontwikkeling van beweging beïnvloed wordt door persoonlijkheids- en lichamelijke kenmerken en de frequentie en persoonlijke beoordeling van belangrijke gebeurtenissen in het leven en alledaagse problemen.
Uit de resultaten van ons onderzoek bleek dat verschillende persoonlijkheids- en lichamelijke kenmerken gemeten tijdens de adolescentie samen hangen met de hoeveelheid lichamelijke activiteit en zittend gedrag op 42-jarige leeftijd. Daarbij werden voor mannen en vrouwen sexe-specifieke determinanten voor lichamelijke activiteit en zittend gedrag gevonden. Bewegingspatronen in de adolescentie waren niet geassocieerd met lichamelijke activiteit en zittend gedrag op 42-jarige leeftijd.
Met betrekking tot de longitudinale ontwikkeling van lichamelijke activiteit wezen resultaten uit dat deelnemers met een betere lichamelijke conditie op 13-jarige leeftijd gemiddeld meer lichamelijk actief waren over een periode van 24 jaar. Daarnaast kon worden vastgesteld dat deelnemers die meer belangrijke gebeurtenissen en alledaagse problemen meemaakten en ze als negatiever beoordeelden, over het algemeen meer bewogen.
Zowel onvoldoende lichamelijke activiteit als een overmaat aan zittend (sedentair) gedrag komen veelvuldig voor in de huidige samenleving. Beiden worden geassocieerd met een ongunstige (volks)gezondheid. Interventies die erop gericht zijn om mensen te stimuleren om (meer) te bewegen hebben vaak weinig effect, met name op de lange termijn. De preventie van een daling van de mate van lichamelijke activiteit en daarmee de preventie van inactiviteit zijn daarom noodzakelijk. Er zijn aanwijzingen dat de adolescentie een belangrijke periode is als het gaat om het ontwikkelen en het behouden van een actieve leefstijl, ook op lange termijn. Tot nu is het onduidelijk welke factoren van invloed zijn op de mate waarop mensen op latere leeftijd lichamelijk actief of sedentair zijn. Mogelijke determinanten die van invloed zouden kunnen zijn op deze leefstijlaspecten zijn persoonlijkheidskenmerken, fysieke kenmerken en de belangrijke transitieperiodes zoals verhuizen, kinderen krijgen, veranderen van werksituatie. In dit project zijn en worden secundaire data-analyses uitgevoerd op de reeds verzamelde data van het Amsterdams Groei- en Gezondheidsonderzoek (AGGO). Gedurende de puberteit (13-16 jaar) zijn onder de ruim 600 deelnemers data verzameld over 1) persoonlijkheidskenmerken (o.a. the Dutch Personality Inventory, Achievement Motivation Test), 2) lichamelijke activiteit (duur, intensiteit, frequentie en soort) en 3) fysieke kenmerken (lengte, gewicht, huidplooien, tailleomtrek, aëroob uithoudingsvermogen). Op 42-jarige leeftijd (29 na de eerste meting) zijn lichamelijke activiteit en sedentair gedrag onder de 340 overgebleven deelnemers gemeten. Het doel van dit onderzoek is te bekijken of de persoonlijkheids- en fysieke kenmerken en de lichamelijke activiteit die gedurende de adolescentie gemeten zijn voorspellende factoren zijn voor de mate van lichamelijke activiteit en sedentair gedrag op 42jarige leeftijd. Op deze manier zouden hoog risico groepen geïdentificeerd kunnen worden, waardoor interventies beter afgestemd kunnen worden op de doelgroep. Om deze vragen te beantwoorden is het van belang een goede manier te vinden waarop de mate van inactiviteit/zittend gedrag van de deelnemers vastgesteld kan worden. Gedurende de laatste meetronde (in 2006) zijn meerdere methoden gebruikt om dit in kaart te brengen (vragenlijst en versnellingsmeters). In het eerste jaar van dit project zijn voorbereidende analyses verricht essentieel voor het beantwoorden van de vraagstellingen die in dit project zijn geformuleerd.