Mobiele menu

Why methylphenidate is not successful in cocaine dependent ADHD patients: a SPECT study comparing dopamine transporters before and after methylphenidate treatment in ADHD patients with and without cocaine dependence

Behandeling ADHD'ers met cocaïneverslaving
Mensen met ADHD krijgen vaak het medicijn methylfenidaat (MPH). MPH blokkeert de werking van de dopamine-transporter in de hersenen, waardoor mensen minder last hebben van de aandachtsstoornis ADHD. Bij mensen die naast ADHD ook verslaafd zijn aan bijvoorbeeld cocaïne, heeft MPH echter nauwelijks effect.

Doel
In dit project onderzoekt prof. dr. Jan Booij of de cocaïne daar de oorzaak van is. Hij onderzoekt de werking van MPH bij zowel ADHD-patiënten met als zonder cocaïneverslaving. Het doel is het ontwikkelen een nieuw behandelprotocol voor mensen met ADHD en een cocaïneverslaving. Wellicht kan het effect van MPH bij verslaafde ADHD-patiënten verbeteren door ze een (veel) hogere dosis van het medicijn te geven.

Doelgroep
Wetenschappelijk onderzoekers, behandelaars

Verslagen


Eindverslag

Introductie
ADHD is een risicofactor voor het ontwikkelen van substance use disorder (SUD), alhoewel de relatie met SUD niet volledig begrepen wordt. We weten wel dat de dopamine transporter (DAT) een belangrijke rol speelt bij zowel ADHD als SUD. Geneesmiddelen, zoals methylfenidaat (MPH), blokkeren de DAT. In ADHD patiënten met SUD zijn dit soort geneesmiddelen echter niet erg effectief. Dit geldt zowel voor de behandeling van ADHD als SUD. Dus ADHD patiënten met SUD reageren vaak onvoldoende op behandeling met MPH. Dit roept twee vragen op: waarom zijn ADHD met SUD niet responsief op een adequate dosering MPH en hoe verhoudt zich dit tot SUD? Een mogelijke verklaring is dat ADHD patiënten met SUD verschillen in de hoeveelheid DATs, en dat MPH een andere bezetting van de DAT veroorzaakt.
In ons onderzoek postuleerden wij een hogere baseline striatale DAT expressie in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met ADHD patiënten. Ook postuleerden we een lagere DAT bezetting met een identieke dosering MPH in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met patiënten zonder SUD. We veronderstelden dat dMPH minder effectief is in het verminderen van ADHD symptomen en geassocieerde cognitieve functies in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met patiënten zonder SUD. Ten slotte, betreffende de vraag of verschillen in DAT bezetting de mate van hunkering naar drugs en drugsgebruik kan beïnvloeden, postuleerden wij dat MPH de striatale DAT kan bezetten en mogelijk de hunkering naar drugs kan verminderen in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met de situatie voor start van behandeling.

Methoden en resultaten
De beschikbaarheid van striatale DATs werd bepaald met [123I]FP-CIT SPECT in mannelijke ADHD patiënten met en zonder SUD. Op de dag van de uitgangsscan werd ook neuropsychologisch/neurocognitief onderzoek verricht en werd urineonderzoek uitgevoerd om recent gebruik van drugs uit te sluiten. De volgende dag werd behandeling gestart met een voor iedere deelnemer identieke dosering MPH (Concerta 54 mg, éénmaal daags gedurende 2 weken). Aan het eind van de behandelperiode werd wederom een SPECT scan gemaakt om de bezetting van DATs door MPH te bepalen. Ook werden veneuze bloedstalen afgenomen om de plasma MPH concentratie te bepalen. Bovendien werden de onderzoeken, die 2 weken tevoren ook waren gedaan, herhaald.
In totaal werden 33 deelnemers geïncludeerd (19 ADHD patiënten en 14 ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid). Drie deelnemers zijn niet verschenen voor het onderzoek na inclusie, en 6 deelnemers verschenen niet voor de follow-up analyses, zodat de complete set van onderzoeksdata 16 ADHD patiënten en 8 ADHD patiënten met co-morbide cocaïneafhankelijkheid betreft.
We vonden een significant lagere baseline striatale DAT expressie en een significant lagere DAT bezetting bij identieke MPH plasma-concentraties in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met patiënten zonder SUD. Echter de verschillen in DAT bezetting waren niet gecorreleerd met verbetering van ADHD symptomen of de mate van hunkering naar drugs. We vonden wel een correlatie tussen een lagere DAT bezetting met MPH en jaren cocaïnegebruik. Uit neurocognitief onderzoek bleek dat ADHD patiënten met cocaïneverslaving impulsiever zijn dan ADHD patiënten. Daarnaast bleek dat ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid een kleiner putamen hebben (gemeten met MRI, in het putamen komen veel DATs tot expressie) vergeleken met ADHD patiënten zonder SUD.

Beschouwing
ADHD patiënten met cocaïneverslaving hebben een lagere DAT beschikbaarheid, en toediening van een standaarddosis MPH leidt tot een significant lagere DAT bezetting dan in ADHD patiënten, ondanks vergelijkbare MPH plasmaconcentraties. Daarnaast was de DAT bezetting niet gecorreleerd met ADHD symptoomverbetering, hetgeen suggereert dat het verhogen van de MPH dosis niet nuttig is om ADHD patiënten met SUD te behandelen. In deze populatie zou aandacht

Introductie
ADHD is een risicofactor voor het ontwikkelen van substance use disorder (SUD), alhoewel de relatie met SUD niet volledig begrepen wordt. We weten wel dat de dopamine transporter (DAT) een belangrijke rol speelt bij zowel ADHD als SUD. Geneesmiddelen, zoals methylfenidaat (MPH), blokkeren de DAT waardoor de extracellulaire dopamineconcentratie stijgt. In ADHD patiënten met SUD zijn dit soort geneesmiddelen echter niet erg effectief. Dit geldt zowel voor de behandeling van ADHD als SUD. Dus ADHD patiënten met SUD reageren vaak niet voldoende op behandeling met MPH. Dit roept twee vragen op: waarom zijn ADHD met SUD niet responsief op een adequate dosering MPH en hoe verhoudt zich dit tot SUD? Een mogelijke verklaring is dat ADHD patiënten met SUD, t.o.v. patiënten zonder, verschillen in de hoeveelheid DATs, en dat een vergelijkbare dosering MPH een andere bezetting van de DAT veroorzaakt.
In ons onderzoek, postuleerden wij een hogere baseline striatale DAT expressie in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met ADHD patiënten. Voorts postuleerden we een 10-20% lagere DAT bezetting met een identieke dosering MPH in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met patiënten zonder SUD. We veronderstelden dat dezelfde dosering MPH minder effectief is in het verminderen van ADHD symptomen en geassocieerde cognitieve functies in ADHD patiënten met cocaïne afhankelijkheid vergeleken met patiënten zonder SUD. Ten slotte, betreffende de vraag of verschillen in DAT bezetting de mate van hunkering naar drugs en drugsgebruik kan beïnvloeden, postuleerden wij dat MPH de striatale DAT kan bezetten en mogelijk de hunkering naar drugs kan verminderen in ADHD patiënten met cocaïneafhankelijkheid vergeleken met de situatie voor start van behandeling.

Methoden en resultaten
Na goedkeuring van ons studie door de MEC, en na succesvolle afhandeling van een aantal complexe administratieve zaken (m.n. ten aanzien van het gebruik van MPH als studiemedicatie), zijn we gestart met het rekruteren van deelnemers.
In de studie werden mannelijk patiënten geincludeerd. De in-vivo beschikbaarheid van striatale DATs werd bepaald 3 uur na bolusinjectie van ongeveer 110 MBq [123I]FP-CIT (een gevalideerde DAT radiotracer, geproduceerd conform GMP criteria), en gebruikmakend van een SPECT systeem dat speciaal ontwikkeld is voor hersenonderzoek. Dit systeem is gepositioneerd in het AMC (Neurofocus system). Op de dag van de uitgangsscan, werd ook klinische, neuropsychologische, en neurocognitief onderzoek verricht, gebruikmakend van gevalideerde tests en vragenlijsten. Bij alle deelnemers werd tevens urineonderzoek uitgevoerd om recent gebruik van cocaïne (en andere drugs) uit te sluiten. De volgende dag werd behandeling gestart met een voor iedere deelnemer identieke dosering MPH (Concerta tabletten 54 mg, éénmaal daags gedurende 2 weken). Aan het eind van deze behandelperiode werd wederom een [123I]FP-CIT SPECT scan gemaak om de in-vivo bezetting van DATs door MPH te bepalen. Ook werden veneuze bloedstalen afgenomen om de MPH concentratie in plasma te bepalen. Bovendien werden de andere onderzoeken, die 2 weken tevoren ook waren gedaan, herhaald.
Tot op heden, hebben we 13 deelnemers geïncludeerd (12 ADHD patiënten en 1 ADHD patiënt met co-morbide cocaïneafhankelijkheid). Bij 12 van deze 13 deelnemers werden alle uitgangsdata succesvol vastgelegd (na inclusie is 1 deelnemer niet op komen dagen voor de studie). Bovendien, werden bij 11 van de 12 participanten de follow-up data adequaat vastgelegd (1 ADHD patiënt verscheen niet voor de follow-up bepalingen). Dus, de complete set van onderzoeksdata is thans beschikbaar van 10 ADHD patiënten en 1 ADHD patiënt met co-morbide cocaïneafhankelijkheid. Aangezien de data van maar 1 ADHD patiënt met SUD beschikbaar zijn, is een tussentijdse analyse van groepverschillen niet zinvol.

Discussie/toekomst
Onze preliminaire bevindingen suggereren dat ons onderzoek goed uitvoerbaar is.

Onderwerpen

Kenmerken

Projectnummer:
31160206
Looptijd: 100%
Looptijd: 100 %
2009
2013
Onderdeel van programma:
Gerelateerde subsidieronde:
Projectleider en penvoerder:
Prof. dr. J. Booij
Verantwoordelijke organisatie:
Amsterdam UMC- locatie AMC De Meren